Gerechtshof aardbevingzaak: Vergoeding gederfd woongenot en smartengeld

De NAM moet bewoners schadevergoeding betalen voor gederfd woongenot en voor immateriële schade (smartengeld). Het  gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 december 2019 geoordeeld in de aardbevingszaak tussen  meer dan 100 bewoners en de NAM. De volledige uitspraak leest u hier.

Te veel eisers voor een individuele beoordeling?

In deze procedure ging het om meer dan 100 eisers. Maar in de tussentijd hebben al ruim 5.000 andere mensen een procedure ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland.  De rechtbank heeft daarom eerder dit jaar alvast vragen gesteld aan de Hoge Raad (pre-judiciële vragen). De rechtbank wilde weten hoe zij moest omgaan met zoveel eisers. Mogen alle zaken op één of andere manier in één keer op dezelfde wijze worden beoordeeld, of moet iedere zaak van iedere eisers apart worden beoordeeld?

De  Hoge Raad  heeft bij de beantwoording van die vragen  als uitgangspunt genomen dat van geval tot geval beoordeeld moet worden of er recht is op vergoeding van vermogensschade en van smartengeld. Op dat uitgangspunt is wel een uitzondering mogelijk. De rechter kan vaststellen dat een bepaalde gebeurtenis zo ernstig is en zulke nadelige gevolgen heeft, dat mag worden aangenomen dat recht bestaat op smartengeld. Deze uitspraak van de Hoge Raad leest u hier.

Het gerechtelijk apparaat kan vastlopen

Volgens de Hoge Raad is dus de hoofdregel dat van geval tot geval beoordeeld moet worden of er recht is op vergoeding van vermogensschade en van smartengeld. Het gerechtshof schrijft in zijn uitspraak van 17 december 2019 dat hierdoor de procedure voor het gerechtshof zelf al moeilijk beheersbaar is en dat geldt al helemaal voor  de rechtbank, die te maken heeft met meer dan 5.000 eisers.

Om die reden heeft het gerechtshof het volgende geschreven:

“Deze procedure is begonnen door 127 eisers. Onlangs zijn nog eens meer dan 5.000 eisers een procedure begonnen bij de rechtbank Noord-Nederland. Ook in die procedure vragen deze eisers om vergoeding van materiële en immateriële schade. De kans bestaat dat nog veel meer mensen zo’n vordering willen instellen, misschien nadat bekend is wat in de andere procedures wordt beslist.

Het is op zich begrijpelijk dat eisers niet ieder voor zich, maar samen een procedure zijn begonnen. Eisers hebben min of meer dezelfde belangen. Bovendien vraagt het veel tijd en geld om de vorderingen te onderbouwen. Er is veel onderzoek gedaan dat voor alle eisers van belang is. Door samen op te trekken kunnen de kosten binnen de perken blijven.

Aan dit samen optrekken zitten ook nadelen. De situatie van de eisers is niet hetzelfde. Dat blijkt ook wel uit de schriftelijke verklaringen die de eisers (op een enkeling na) hebben opgesteld. Sommige eisers hebben naast die verklaring ook nog andere stukken aan het dossier laten toevoegen, zoals medische informatie en informatie over de schade aan hun woning. Daardoor is het voor het hof niet gemakkelijk om deze procedure te beheersen. En wat voor het hof geldt, geldt al helemaal voor de rechtbank Noord-Nederland die over ruim 5.300 individuele gevallen moet beslissen.

Het hof gaat daarom op zoek naar een mogelijkheid om de procedure hanteerbaar te houden. Die mogelijkheid is er wanneer kan worden vastgesteld dat eisers, of een deel van hen, bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben en zij vanwege die kenmerken aanspraak hebben op vergoeding van vermogensschade en/of op smartengeld. Wanneer gemakkelijk vast is te stellen of een eiser dat kenmerk heeft, is dat voldoende. Een verder onderzoek naar de specifieke persoonlijke situatie van die eiser hoeft dan niet plaats te vinden.

Natuurlijk moet dat kenmerk wel voldoen aan wat volgens de Hoge Raad vereist is voor het toewijzen van een vordering tot vergoeding van vermogensschade en van immateriële schade. (…)

Het ‘gerechtelijk apparaat’ in Noord-Nederland kan dan zomaar vastlopen. Dat is maatschappelijk niet aanvaardbaar.”

Het gerechtshof gaat dus voor een gezamenlijke aanpak die uiteindelijk  leidt tot de volgende verdeling:

Vermogensschade vanwege  gederfd woongenot

De eigenaren of huurders van woningen die minimaal één keer is beschadigd hebben recht op een schadevergoeding vanwege gemist woongenot. Hoe hoog die vergoeding moet zijn zal in een aparte procedure moeten worden vastgesteld.

Smartengeld vanwege onveilig voelen in woning en stress

De bewoners van woningen die minimaal  twee keer zijn beschadigd hebben recht op een schadevergoeding in de vorm van smartengeld (immateriële schade). Lees hier meer over smartengeld. Die vergoeding in de vorm van smartengeld moet volgens het gerechtshof minimaal € 2.500,– euro zijn. Hoe hoog die precies moet zijn zal eveneens in een aparte procedure worden vastgesteld.

Over de vergoeding van immateriële (smartengeld) schade heeft het gerechtshof het volgende geoordeeld.

“7.33 In zijn antwoord op vraag 9 gaat de Hoge Raad in de uitspraak van 19 juli 2019 uitvoerig in op de aanspraak op immateriële schadevergoeding19. In het kort komt het antwoord van de Hoge Raad erop neer dat voor de bewoners van het aardbevingsgebied geen andere (minder vergaande) eisen gelden dan de eisen die normaal worden gesteld aan toewijzing van een vordering tot vergoeding van immateriële schade. Concreet betekent dit dat een bewoner die geen lichamelijk letsel heeft opgelopen moet aantonen dat hij “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”, in de zin van artikel 6:106 BW. Er zijn twee categorieën van zo’n aantasting in de persoon op andere wijze:

– de eerste categorie is die waarin een eiser geestelijk letsel heeft opgelopen. De eiser die stelt dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen, moet voldoende concrete gegevens aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daarvoor is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden aangenomen;

– de tweede categorie is die waarin een eiser geen geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook dan kan een eiser recht hebben op vergoeding van immateriële schade. Dat is het geval wanneer “de aard en de ernst van aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis en van de gevolgen daarvan voor hem” meebrengen dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Belangrijk is dat volgens de Hoge Raad voor beide categorieën niet voldoende is dat wordt vastgesteld dat iemand in het gebied woont waar geregeld aardbevingen door de aardgaswinning plaatsvinden in combinatie met een persoonlijke verklaring van die benadeelde over zijn beleving van de invloed die de aardbevingen op hem hebben. De verplichting tot immateriële schadevergoeding laat zich niet “min of meer forfaitair” vaststellen. Toch neemt dat niet weg, aldus de Hoge Raad, “dat de rechter kan oordelen dat de aard en ernst van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor bewoners van een bepaald gebied boven het Groningenveld zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (…). En dat de rechter daarbij aannemelijk kan achten dat de door deze aantasting in de persoon geleden schade voor deze bewoners ten minste een bepaald bedrag beloopt.”

7.34Eisers hebben aangevoerd dat zij wonen in een gebied waarin geregeld aardbevingen voorkomen. Zij hebben vrijwel allen een verklaring ingediend, waarin zij omschrijven wat het leven in het aardbevingsgebied met hen doet, welke spanningen dat oplevert en vaak ook dat zij lijden onder de spanningen en onzekerheden (bijvoorbeeld over de waarde van hun woning), het ‘gedoe’ rond de schade aan hun woning en de angst voor een calamiteit als gevolg van een volgende aardbeving. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 19 juli 2019 volgt dat dat op zichzelf onvoldoende is voor toewijzing van een vordering tot immateriële schade. Dat bleek trouwens ook al uit het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, waarin de Hoge Raad20 vergelijkbare eisen stelde aan de vergoeding van immateriële schade wegens een aantasting van de persoon op andere wijze. De verwijzing van eisers naar oudere rechtspraak van de Hoge Raad, waarin volgens hen minder vergaande eisen worden gesteld, snijdt om die reden geen hout.

26 eisers stellen daarnaast dat zij geestelijk letsel hebben opgelopen. Ook voor hen geldt dat het wonen in het aardbevingsgebied in combinatie met een eigen verklaring onvoldoende is. Nodig is dat voor elk van hen naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel ten gevolge van de aardbevingen (en wat daarmee samenhangt) wordt aangetoond. Een verklaring van een huisarts of maatschappelijk werker zal daarvoor meestal onvoldoende zijn, omdat er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat die voldoende in staat zijn een psychiatrische diagnose te stellen.

7.35De Hoge Raad laat de mogelijkheid open dat de rechter voor een bepaalde categorie bewoners aanneemt dat zij op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. De Hoge Raad lijkt de afbakening tussen deze categorie bewoners en andere bewoners te zoeken in een bepaald gebied boven het Groningenveld zonder dat dit verder wordt toegelicht. Uit de uitspraak van de Hoge Raad blijkt niet dat dat de enig mogelijke afbakening is. De door de Hoge Raad genoemde afbakening is in de praktijk een lastige, omdat binnen de verschillende postcodegebieden – ook binnen de gebieden waar zich de meeste fysieke schades voordoen en de waardedaling het grootste is – de verschillen in schade groot zijn.

Het ligt gelet op wat hiervoor is overwogen over het karakter van fysieke schade meer voor de hand om te kiezen voor een andere afbakening, en wel die tussen wel of geen fysieke schade. Daar zijn de volgende argumenten voor:

– fysieke schade aan een woning is een concrete aantasting van de woning en daarmee van de persoonlijke levenssfeer van de bewoner. Het is aannemelijk dat een dergelijke aantasting in veel gevallen ook in zekere mate beangstigend is voor de bewoner en afbreuk doet aan diens gevoel van veiligheid in de eigen woning. In dit verband is van belang dat de Hoge Raad eerder in een situatie van een beangstigende aantasting van de persoonlijke levenssfeer heeft aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze21. In zijn arrest van 15 maart 2019 haalt de Hoge Raad die situatie aan als voorbeeld van een situatie waarin de aantasting van een persoon op andere wijze door de rechter kan worden aangenomen;

– uit het hiervoor meerdere malen aangehaalde onderzoek van Gronings Perspectief blijkt dat er een duidelijk verband is tussen ervaren hinder en stress-gerelateerde klachten en fysieke schade aan de woning. Dat verband is nog veel sterker in situaties van meervoudige fysieke schade. Over bewoners met meervoudige schade wordt in het eindrapport geconcludeerd dat voor hen het normale leven ernstig ontwricht is.

7.36Uit wat in het vorige punt is vermeld, volgt dat in een situatie waarin een woning meer dan eenmaal schade (het gaat ook hier om vastgestelde A- schade of B-schade) heeft opgelopen kan worden aangenomen dat de bewoners van die woning op andere wijze in hun persoon zijn aangetast en om die reden aanspraak hebben op immateriële schade. In die situatie brengen de aard (concrete en potentieel beangstigende aantasting van de persoonlijke levenssfeer) en de ernst (geen incident maar een herhaling) van de gebeurtenis mee dat de nadelige gevolgen daarvan voldoende voor de hand liggen. Buiten deze situatie dient van geval tot geval te worden afgewogen of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

7.37De Hoge Raad geeft de rechter de mogelijkheid om wanneer hij een aantasting in de persoon op andere wijze aanneemt voor een bepaalde categorie, voor die categorie ook aannemelijk te achten dat de schade tenminste een bepaald bedrag is. De Hoge Raad noemt zelf geen bedrag. Over de hoogte van zo’n bedrag kan heel verschillend worden gedacht. De situatie in Groningen is in de Nederlandse rechtspraktijk uniek, zodat geen aanknopingspunt kan worden gevonden in vergelijkbare situaties. In zijn algemeenheid geldt dat in situaties waarin geen sprake is van lichamelijk of geestelijk letsel het smartengeld in Nederland beperkt is. Al met al is naar het oordeel van het hof in dit geval een minimumbedrag van € 2.500,- redelijk. In individuele gevallen kan het bedrag worden verhoogd, bijvoorbeeld wanneer meer dan tweemaal A- of B-schade is vastgesteld (uitgangspunt is dat per extra schadegeval aanspraak bestaat op € 1.250,-), of ten gevolge van de aardbevingen ernstige (psychische) gezondheidsklachten zijn ontstaan of de woning onbewoonbaar is verklaard of langdurig niet bewoond kon worden.”

Vragen?

Heeft u vragen of zoekt u een advocaat gespecialiseerd in aansprakelijkheidsrecht? Neem vrijblijvend contact op.

Salva Schaderecht | info@salvaschaderecht.nl | 085 800 8080 | Jansbuitensingel 7, 6811 AA Arnhem

logo van de rechtspraak in kleuren van salva schaderecht
Menu