Hoge Raad 10 februari 2026: affectieschade voor grootouders blijft maatwerk

18 February 2026
Hoge Raad 10 februari 2026: affectieschade voor grootouders blijft maatwerk

Affectieschade en grootouders. De Hoge Raad heeft op 10 februari 2026 een oordeel gegeven over een vordering van een grootmoeder van een slachtoffer van een geweldsmisdrijf tot vergoeding van affectieschade. Daar was discussie over omdat grootouders in de wet niet specifiek worden genoemd als personen die recht kunnen hebben op affectieschade. Dat kan alleen als de betreffende grootouder moet worden aangemerkt als:

een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt.

Dit staat in artikel 6:108 lid 4 sub g BW en wordt de ‘hardheidsclausule’ genoemd.

In een arrest van 10 februari 2026 heeft de Hoge Raad opnieuw duidelijk gemaakt hoe terughoudend de rechter moet omgaan met de hardheidsclausule bij affectieschade. In deze zaak ging het specifiek om de vordering van de oma van het slachtoffer, die stelde dat zij niet alleen grootmoeder was, maar ook (in feite) een moederrol vervulde.

De kernvraag was: kan een oma als “naaste” worden aangemerkt en daarmee aanspraak maken op affectieschade? En zo ja: hoe verhoudt dat zich tot de beperkingen van het strafproces?

Wat vroeg de oma?

De benadeelde partij (de oma) vorderde € 20.000 affectieschade. Zij lichtte toe dat zij:

  • grootmoeder was van het slachtoffer, dat ten tijde van het misdrijf 42 jaar oud was,

  • voogd was geweest,

  • het slachtoffer feitelijk had opgevoed en een moederrol vervulde.

Het standpunt was: óf zij viel onder de categorie “ouder” (sub c), óf zij moest via de hardheidsclausule (sub g) als naaste worden aangemerkt, omdat de band uitzonderlijk hecht was.

Het oordeel van het hof: niet-ontvankelijk

Het hof verklaarde de vordering niet-ontvankelijk. Daarbij erkende het hof nadrukkelijk dat:

  • er een nauwe en affectieve relatie was,

  • de oma groot verdriet en pijn ondervond.

Maar het hof vond dat onvoldoende was gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat zij – ondanks dat grootouders niet standaard in de “vaste kring” vallen – via de hardheidsclausule toch als naaste moet worden gezien.

Belangrijk: het hof benadrukte dat affectieschade een gesloten regeling is met een beperkte kring van gerechtigden. De restcategorie (sub g) is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen.

Volgens het hof moest de discussie daarover worden gevoerd bij de burgerlijke rechter. Het hof had de vordering van de oma dus niet afgewezen, maar slechts ‘niet-ontvankelijk verklaard’ in de strafprocedure.

De vraag in cassatie: heeft het hof dit juridisch juist aangepakt?

Namens de oma werd in cassatie geklaagd dat het hof haar ten onrechte niet als “naaste” had aangemerkt (art. 6:108 lid 4 sub g BW).

De Hoge Raad verwerpt die klacht.

Wat zegt de Hoge Raad precies?

De Hoge Raad zet eerst de lijnen uiteen:

  1. De kring van gerechtigden is bewust beperkt.
    De wetgever wilde voorkomen dat de regeling onbeheersbaar wordt en dat de “erkenningsfunctie” van affectieschade verwatert als te veel mensen aanspraak kunnen maken.

  2. De hardheidsclausule (sub g) is echt voor uitzonderlijke situaties.
    Wie daar een beroep op doet, moet een hechte affectieve relatie aantonen. Relevante factoren zijn onder meer:

  • intensiteit,

  • aard,

  • duur van de relatie.

  1. In het strafproces gelden praktische beperkingen.
    Of iemand onder sub g valt, hangt vaak af van informatie die vooral bij de benadeelde partij ligt (gezinsgeschiedenis, dagelijkse zorg, samenwoning, afhankelijkheid, etc.). Dat maakt het voor de verdediging lastig om inhoudelijk te betwisten en voor de strafrechter lastig om dit diepgaand uit te zoeken binnen het strafproces, want daar is het strafproces niet voor bedoeld.

Daarom benadrukt de Hoge Raad: als de onderbouwing niet concreet genoeg is, of als het strafproces onvoldoende ruimte biedt voor een zorgvuldig debat en bewijsvoering, dan ligt niet-ontvankelijkheid voor de hand. De benadeelde partij kan dan naar de burgerlijke rechter.

De Hoge Raad oordeelde:

5.5.1Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe band met het slachtoffer te hebben. Een ruimere kring van gerechtigden zou volgens de wetgever de beheersbaarheid van de regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat een vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van een ernstig verlies.
5.5.2Tot de kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens artikel 6:107 lid 2, aanhef en onder g, en 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW ook de ‘andere persoon’ die in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om een naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om op grond van deze – in de wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide – bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.
(Vgl. HR 31 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33.)
5.5.3De beantwoording van de vraag of de benadeelde partij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. Voor de verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door de benadeelde partij aangevoerde feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing (vgl., over een vordering van een nabestaande tot vergoeding van gederfd levensonderhoud als bedoeld in artikel 6:108 lid 1 BW, HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644, rechtsoverweging 3.3.3). In het geval waarin een benadeelde partij een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal de benadeelde partij de stelling dat sprake is van een hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als de rechter oordeelt dat de benadeelde partij daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat de verdediging niet in voldoende mate in de gelegenheid is geweest de vordering te betwisten ligt het – tegen de achtergrond van het onder 5.3 weergegeven arrest – in de rede dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
5.6.1Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij de grootmoeder is van het slachtoffer [slachtoffer] en dat de benadeelde partij tijdens de jeugd van [slachtoffer] was benoemd tot haar voogd. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de benadeelde partij een nauwe en affectieve relatie had met [slachtoffer] en dat zij veel pijn en verdriet heeft ondervonden en ondervindt door de dood van [slachtoffer] . Bij zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij heeft het hof verder tot uitgangspunt genomen dat een beperkte kring van gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade en dat het daarbij gaat om partners, ouders en kinderen van de overledene en om gevallen waarin sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt grootgebracht. Voorts heeft het hof overwogen dat de benadeelde partij niet tot de kring van gerechtigden behoort die zo’n aanspraak hebben en dat onvoldoende is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan de benadeelde partij op grond van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, in samenhang met 6:108 lid 3 BW vergoeding van affectieschade kan vorderen.
5.6.2Het op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van affectieschade in verband met het overlijden van het ten tijde van het bewezenverklaarde feit 42-jarige slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard, getuigt in het licht van de onder 5.4.2 weergegeven wetsgeschiedenis en de beperkingen van het strafproces die voortvloeien uit wat onder 5.5 is vooropgesteld, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats.

Waarom houdt het oordeel van het hof stand?

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof:

  • niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, en

  • voldoende is gemotiveerd.

Het oordeel is bovendien sterk verweven met feitelijke waarderingen (hoe hecht, hoe uitzonderlijk, hoe concreet onderbouwd), en dat wordt in cassatie maar beperkt getoetst.

Kort gezegd: de Hoge Raad laat het oordeel van het hof in stand dat de oma in deze strafzaak niet-ontvankelijk is in haar affectieschadevordering.

Conclusie

1) Grootouders kunnen niet automatisch affectieschade claimen

Een grootouder hoort niet standaard tot de vaste kring van gerechtigden. Een beroep op de hardheidsclausule kan, maar vraagt zorgvuldige en concrete onderbouwing.

2) “Hechte band” is niet genoeg: het moet uitzonderlijk zijn

Dat er veel liefde, verdriet en nabijheid is, wordt vaak niet betwist – maar juridisch is dat niet altijd voldoende. Het gaat om de vraag of de relatie zó bijzonder is dat redelijkheid en billijkheid eisen dat deze persoon als “naaste” wordt behandeld.

3) In strafzaken is de route vaak: niet-ontvankelijk → civiele rechter

Juist omdat bewijs en tegenspraak in het strafproces beperkt kunnen zijn, is het in hardheidsclausule-zaken regelmatig realistischer om de vordering civiel aan te brengen (waar meer ruimte is voor bewijs, getuigen, stukken en een volledig debat).

Klik hier voor de volledige uitspraak van de Hoge Raad van 10 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:177).

Vragen?

Heeft u vragen of zoekt u een advocaat die is gespecialiseerd in  aansprakelijkheidsrecht, letselschade en verzekeringsrecht? Neem vrijblijvend contact op. Schaderecht Advocatuur is een advocatenkantoor gespecialiseerd in aansprakelijkheid, letselschade en verzekeringsrecht.

Schaderecht Advocatuur | info@schaderecht.nl | 085 800 8080 |  Jansbuitensingel 7, 6811 AA Arnhem

Gerelateerde blogs

27 April 2021
Levert een wanprestatie een onrechtmatige daad op jegens een derde?
afbeelding van 3 rechters bij blog schadevergoeding
Lees deze blog
26 May 2020
De minister over uitkeringen door verzekeraars i.v.m. Corona
Afbeelding van reageerbuizen met stoffen bij blog over corona en verzekeringsdekking
Lees deze blog
29 October 2021
Hogeschool aansprakelijk voor studieverstraging
Afbeelding van academicus bij blog over lezing VJPP
Lees deze blog